IJsvermaak: een geschiedenis van het schaatsen
In het verre verleden brachten strenge winters serieuze problemen met
zich mee. Zo moest je jezelf uit lijfsbehoud goed beschermen tegen de
striemende vrieskou, en de toegang tot iets alledaags als drinkwater kon
bijzonder lastig zijn. Ook is het de tijd bij uitstek om de haard flink op
te stoken, maar als er brand ontstaat, hoe kom je dan aan bluswater? Toch had de vorst ook voordelen. Rivieren waren
opeens niet langer obstakels, en de reis naar de overzijde van een meer of
fjord was veel korter als je over het ijs kon lopen dan wanneer je de oever
moest volgen om er te komen.
Glissen
Onze voorouders blijken al millennia geleden
bedacht te hebben hoe je de tocht over het ijs kon bespoedigen. Ze bonden
een vlakgeslepen dierlijk bot (vaak een scheenbeen) onder elke schoen om
over de ijsvloer te kunnen glijden.
Deze voorloper van de schaats wordt
daarom ‘glis’ genoemd (zie rechts, klik op foto voor vergroting). De
oudste exemplaren zijn gevonden in Hongarije, en dateren van omstreeks 2000
voor Christus, maar het merendeel van de vondsten – en dat zijn er nogal wat
– stamt uit de middeleeuwen. Ook rond Utrecht kwamen ze voor. In Leidsche
Rijn is onlangs een glis uit de 11e eeuw opgegraven.
Hoe deze glissen gebruikt werden, blijkt uit één van de oudste verslagen
van ijsvermaak, tussen 1174 en 1183 opgeschreven (in het Latijn) door de
Engelse monnik William Fitzstephen, secretaris van Thomas Beckett in
Canterbury: “Wanneer het omvangrijke moeras dat tegen de noordelijke muren
van Londen klotst bevriest, gaat de jeugd er in grote getale naar toe om op
het ijs te spelen. […] Ze voorzien elk van hun voeten van een dierlijk
scheenbeen, dat ze vastmaken onder hun schoeisel. In hun handen houden ze
stokken verstevigd met metalen punten, waarmee ze regelmatig tegen het ijs
duwen. Ze stuwen zichzelf voort, zo snel als een vliegende vogel, of als een
pijl uit een kruisboog. Maar soms zijn er twee die, met wederzijdse
instemming, van ver uit elkaar, op elkaar afstormen, en hun stokken opheffen
om de ander ermee te raken. De een (of allebei) wordt onderuit geslagen,
niet zonder letsel, want na te zijn gevallen schuiven ze door hun
voorwaarste snelheid nog een eind door, en welk deel van hun hoofd dan ook
het ijs raakt, het raakt erg gekrast en geschaafd. Vaak breekt iemand een
been of een arm, als hij er op valt. Maar de jeugd schept graag op, en wil
zijn overmacht tonen, dus zijn ze erg genegen tot dit soort schijngevechten,
om zichzelf te harden voor de echte strijd”.
Het ‘steekspel’ dat Fitzstephen als vorm van ijspret beschrijft was beslist geen
uitzondering. Zo bestaat er een verslag van zo’n spel dat in 1333
plaatsvond in Leuven. De hoofdprijs bestond uit twee zilveren schaatsen,
wat doet vermoeden dat de deelnemers zelf inmiddels ook op schaatsen
reden, en niet langer op glissen. Ook uit 1511 kennen we een relaas over
een steekspel in Gent, eveneens op de schaats. Een detail van een
houtsnede van omstreeks
1550 geeft een indruk van wat we ons bij een
dergelijk spektakel moeten voorstellen (zie boven).
Schaatsijzers
Wanneer het schaatsijzer zijn intrede heeft gedaan, blijft vooralsnog
de vraag. Eerder werd gedacht dat de uitvinding moet hebben
plaatsgevonden
ergens in de 14e eeuw, maar inmiddels zijn zowel in
Amsterdam als in Dordrecht schaatsijzers opgegraven die dateren uit de
eerste helft van de 13e eeuw (zie links, klik op de foto voor een
vergroting). De ijzeren schaats moet dus al vóór die
tijd zijn ontwikkeld. De oudst bekende afbeelding dateert
wel uit de vroege 14e eeuw.
Het is een figuurtje op schaatsen, getekend in de marge van een op
perkament geschreven pagina uit een kalender, afkomstig
uit het klooster
van Sint Pierre van Blandigny bij Gent (zie rechts, klik op de foto voor
een vergroting). De vorm van de
schaatsen is hier niet zo goed te onderscheiden, maar dat is wel het
geval op het drieluik met De tuin der Lusten van Jeroen Bosch,
geschilderd omstreeks 1480-1490 (zie onder, klik op foto). Hetzelfde model
komt
ook voor op een
ander drieluik van deze kunstenaar,
De verzoeking van de heilige Antonius,
uit 1501. Duidelijk te zien is dat het ijzer omhoog komt,
maar een
sierlijk gekrulde uitloper aan de voorzijde ontbreekt. Die is wel
duidelijk
zichtbaar op andere afbeeldingen, zoals op de beroemde houtsnede van
Sint Lidwina van Schiedam, beschermheilige der schaatsers, die in 1487 werd gepubliceerd (zie onder, klik op foto). Het levensverhaal van deze heilige,
inclusief het relaas van haar ongelukkige valpartij op het ijs, dateert
trouwens van
een eeuw eerder, maar werd toen nog niet geïllustreerd. Eenzelfde type
schaats met licht opkrullende spits is te zien op een houtsnede, die
kort nadien, in 1520 in Antwerpen werd gepubliceerd door
Adriaan van
Bergen.(zie boven, klik op de foto voor een vergroting).
Er zijn uit deze laatmiddeleeuwse periode nauwelijks afbeeldingen
voorhanden, maar uit schriftelijke bronnen blijkt dat ijspret net zo
gewoon was als vandaag de dag, en dat schaatsen daar helemaal bij
hoorde. Uit 1395 bestaat een verslag waarin op vanzelfsprekende toon
wordt vermeld dat de Hollandse graaf Albrecht van Beieren en zijn vrouw
Margaretha van Kleef kolfstokken, ballen en sleden huurden om zich op het
ijs te vermaken. Uit een vermelding van drie jaar later blijkt dat de
graaf ook schaatst, en stokken gebruikt voor extra afzet: “xii
piecstaffen voir mijn here mede te vlieghen mit ijsers aen de voeten.”
In 1465 breekt Hertog Arnold van Gelre op verzoek de bevroren slotgracht
rond zijn kasteel niet open (een traditionele voorzorgsmaatregel om de
vijand buiten te houden) om zijn zoon Adolf de gelegenheid te geven er
met enige jonkvrouwen op te schaatsen. Het jaar daarop werd de eerste
gedocumenteerde schaatswedstrijd beschreven in het dagboek van Václav
Šašek (of Schaseck), een schildknaap van de Boheemse baron Leo von
Rožmital, die aan het Brusselse hof van Filips de Goede verbleef. Šašek
verbaast zich over de enorme snelheid van de schaatsers, sneller dan een
paard, en dan ook nog pootje-over in de bochten! En in de onbarmhartig
strenge winter van 1481 vermaakt de 25-jarige Hertogin Maria van
Bourgondië zich kostelijk in Brugge, waar ze te midden van toegestroomde
burgers urenlang op het ijs schaatst (en uiteindelijk door vermoeidheid
lelijk ten val komt).
(wordt vervolgt......)